De kleine gemeente ten zuiden van Mortsel kende met achttien doden (waarvan zes vermisten) een hoog aantal slachtoffers. Hoewel er in de openbare ruimte weinig herinneringen aan het bombardement zijn, wordt 5 april in Hove herdacht. Oude inwoners vertellen hoe ze die dag in de gemeenteschool waren en de grond voelden daveren.
Tranen over Hove
Hieronder lees je een geschiedenis van het bombardement op basis van getuigenissen van mensen uit Hove. Je kan op de weblinks klikken om meer informatie te krijgen. Alle afbeeldingen komen uit ons vzw-archief of dat van de Mortselse Heemkundige Kring. De meeste getuigenissen komen uit het boek “Tranen over Mortsel” geschreven door Pieter Serrien.
‘Ik zat op de gemeentelijke jongensschool in Hove, vandaag de Rodenbachschool’, vertelt Roger Bryssinck over zijn eigen 5 april. ‘Ik zat in het vierde leerjaar. We hadden les op de eerste verdieping. Totaal onaangekondigd begon het bombardement heel luid. De onderwijzer riep dat we naar buiten moesten. Maar de ontploffingen waren zo indringend, dat we wel door de gang liepen, maar van angst op de vloer gingen liggen. Ik zag door een hoog raam één bombardementsvliegtuig in de hemel, al kan ik me dat ook ingebeeld hebben.’
De ouders van de kinderen die in Mortsel naar school gingen, renden massaal naar de rampplaats, waar ze meestal werden tegengehouden door de eerste hulpverleners. ‘Mijn vader is vanuit Antwerpen met zijn fiets naar ons huis in de Vincent Bavaisstraat gereden en zo Mortsel gepasseerd’, vervolgt Roger Bryssinck. ‘Thuis heeft hij zijn werkkleding aangetrokken en is naar de rampplaats gesneld. Toen hij weer thuis kwam, zei hij ons dat wij niet mochten gaan kijken. Pas weken later zijn we in Mortsel geweest. De puinhopen waren opgeruimd maar nagenoeg alles rondom het vroegere gemeentehuis lag plat.’ Op het Gemeenteplein stond de bus naar Edegem en Kontich die met inzittenden uitbrandde. Ook de buschauffeur Emiel Van den Broek kwam om. Hij was een geboren en getogen Hovenaar en woonde in de Kontichstraat. Ook Melania Coomans uit de Kapelstraat kwam op het Gemeenteplein om het leven.

In 2025 ontdekte Roger Bryssinck dat zijn vader op een van de bekendste foto’s van het bombardement staat. ‘Op de foto van 5 april is het zichtbaar hoe hij, 37 jaar oud, getekend was door het leven en natuurlijk door wat hij in Mortsel heeft gezien.’ Met onze vzw schonken we een grote afdruk van de foto waarop te zien is hoe hulpverleners een lichaampje wegdragen van de bomput van Sint-Vincentius en de puinhopen rond de Heilig-Kruisstraat. Vader Petrus Bryssinck (1905-1961) is de man op de voorgrond. ‘Hij heeft niet veel verteld over wat hij in Mortsel heeft gezien. Enkel dat alles stuk gebombardeerd was en dat er veel stof en veel gewonden waren. Verder niets in detail. Ook later werd daar nauwelijks nog over gesproken.’
Omdat het nieuws van de ramp zich zo snel verspreidde, kwamen vele mensen met enige kennis van hulpverlening naar Mortsel. Zo hoorde en voelde Vlaamse Kruis-ambulancier Renaat Legae het bombardement in zijn huis in Hove. Hij greep zijn eerstehulpkistje en met zijn witte schort aan fietste hij richting Oude-God: ‘De eerste man die me op de Mechelsesteenweg tegemoet kwam gelopen, bloedde geweldig. Hij was een arm kwijt. Ik heb hem binnengeholpen in een geteisterd huis. Verder was er geen helpen aan. De man was binnen enige minuten doodgebloed. Hoe dichter ik bij het oude gemeentehuis kwam, hoe vreselijker het werd. Daar was het de hel van Dante. Doden en verminkten lagen overal, tot in de gapende trechter die door een bom geslagen was. Het stonk er naar gas. Overal fonteinen van de gesprongen waterleiding. Binnen enkele minuten waren al mijn verbandmiddelen op. Urenlang heb ik slachtoffers verzorgd: met afgerukte gordijnen en met lakens die overal te vinden waren. Gebroken ledematen werden gespalkt met stoelpoten en stukken plank. Pas tegen de avond kreeg het verzorgen en wegbrengen van de gewonden een ietwat geordend verloop. De eerste ladingen gewonden werden met vrachtwagens weggebracht, meestal door Duitsers.’ Toen later kunstenaar Jules van Ael tekeningen maakten over het bombardement schreef Renaat Legae er gedichten bij. Deze kunstwerken hangen in het vernieuwde stadhuis van Mortsel, zoals de ontroerende tekening hieronder.

De zesjarige Eduard Smets had normaal gezien op de schoolbanken van Sint-Vincentius moeten zitten, maar was ziek die dag. Op twee kindjes na stierf zijn hele klas samen met hun leerkracht zuster Jeanne d’Arc. Hij was thuis in het appartement boven het kapsalon van zijn ouders op de hoek van de Prins Leopoldlei en Mechelsesteenweg in Mortsel toen de bommen insloegen. Toen na de bommen hun moeder gewond terugkwam van de wasserij was de schok nog groter: ‘Moeder kwam de trap op gekropen. Het was een spook. Haar hoofd hing vol bloed en slijk. Ik herkende haar niet. Ze zei: “Mannekes, ’t is ons ma.” Pas na een kwartier of zo waren er Rode Kruisverplegers van de luchthaven om ons ma te verzorgen. Kort daarna hebben ze ons weggevoerd naar het kasteel naast de spoorwegbrug in Hove, waar mijn tante dienster was. Moeder was gehandicapt na de dubbele schedelbreuk die ze opliep in het bombardement. Heel haar leven heeft ze dozen pillen moeten nemen. Gelukkig is ze erkend als oorlogsinvalide en kreeg ze steun van de staat.’
In de Sint-Vincentiusschool kwamen vijf Hovese kinderen om. Naast Julia Leysen uit de Weldadigheidsstraat en Madeleine Peeters uit de Jos Coveliersstraat, was er een vreselijk drama bij de familie Streûmer in de Kontich-Kazernestraat. Zij verloren die dag drie kinderen in de Sint-Vincentiusschool: Antoinette, Jeanne en Willem. Onze vzw had contact met een overlevende broer wiens heel zijn leven getekend was door het drama.

Gust Goyvaerts zat in het achtste leerjaar van de Guido Gezelleschool in Mortsel, dat onder leiding van meester De Vos naar het Edegemse Fort V ging: ‘We waren onderweg toen het begon. De meester wilde met de hele klas naar het Bos van de Baron lopen, maar slechts enkelen zijn daar geraakt. Ik was achter met twee vrienden. Op het einde van de Keldermansstraat, achter het fort, sloeg een bom achter mij in. Iets verbrijzelde de achterkant van mijn schedel. Ik bloedde geweldig. Na een tijdje kon ik omkijken en zag ik hoe Jozef Putmans, die achter mij had gelopen, ongeveer vijfentwintig meter van mij lag, helemaal ineengedoken. Hij was dood en ik stond daar helemaal alleen.’ De zwaargewonde Gust wilde zo snel mogelijk naar huis. Maar hij wist niet hoe de situatie in Oude-God was en rende naar zijn school om zijn fiets op te halen. Al snel zag hij de gruwel in het centrum en vond de Guido Gezelleschool in puin terug. Er waren in totaal 23 van zijn schoolgenootjes gestorven. Omdat hij zijn fiets niet terugvond ging hij te voet verder: ‘Ik liep heel de Statielei door tussen de dode mensen. Aan de statie nam een man mij mee op zijn fiets en bracht mij naar de Sint-Jozefkliniek. Maar daar was het een overrompeling, ze konden mij niet helpen.’ De man bracht de dertienjarige jongen naar zijn huis in Hove, waar Gust pas ’s nachts verzorging kreeg.
Ook de achtjarige Hovenaar Fernand Colebunders zat op de Guido Gezelleschool. Hij maakte het bombardement in zijn klaslokaal mee. Toen de bommen vielen liep hij samen met zijn klasgenoten naar beneden: ‘Ik moest echt aan de leuning van de trap trekken om beneden te geraken. Door de luchtverplaatsing. De leerlingen schuilden onder de betonnen trap, maar ik ben gaan lopen, recht de koer op en vandaar de straat op. De bommen begonnen te vallen en dus heb ik mij laten vallen naast een boom die op de straat lag. Er vlogen stukken langs alle kanten.’ Fernand bleef rennen door Oude-God tot hij thuis in Hove was.
Bijzonder was het verhaal van de twee Joodse onderduikertjes Paul en René Goldstein, die aan de razzia’s konden ontsnappen en in Hove terechtkwamen. Paul Goldstein: ‘In 1942 werd mijn vader gedeporteerd. Toen we zagen hoe de Duitsers Joodse vrouwen en kinderen oppakten en naar Mechelen voerden, kon ons moeder mij en mijn broer bij een katholiek gezin in Hove verbergen. Ook zij dook onder. Het leven als onderduikertjes was een ware hel. Onze onderduikmoeder bleek een hatelijk en sadistisch monster te zijn.’ René Goldstein: ‘Mijn vier jaar oudere broer en ik werden toen toevallig bijgehouden door nazi’s, omdat een rijke bankier die heel zwaar betaald had. Wij zaten onder van ’s morgens tot ’s avonds. Eten kregen we niet, slagen des te meer. Die mensen hebben ons naar Les Abeilles gestuurd, waar heel de directie bij de Witte Brigade was. Wij zijn daar dus naar school gegaan onder de valse naam Roggeman. Daar waren ook nog twee Joodse zusters onder een valse naam.’
Paul Goldstein zat in het vierde leerjaar en kreeg op 5 april les van mevrouw Van der Weyden: ‘Plots hoorde ik lawaai buiten en ik stak mijn hand op om de juffrouw dat te vertellen. Ze zei: “Geen zorgen, het is niets, tijdens de oorlog hoor je altijd wel ergens schoten.” Even later stortte ons lokaal in, een oorverdovende explosie, wolken van stof vulden de ruimte. We konden amper ademen en paniekerig, dicht op elkaar, stormden we naar buiten.’ Zijn broer René Goldstein zat ook in een klaslokaal toen de bommen vielen: ‘De klas is ineens ineengevallen. Niemand wist wat er gebeurde. Het enige wat ik me nog kan herinneren, is een stenen trap die recht bleef staan. Mijn kameraad is met mij onder die trap gekropen omdat die recht stond. Hij zei tegen mij: “Laat ons naar de overkant lopen.” Ik weet niet waarom ik nee zei. Hij liep. Voor mijn ogen is een bom gevallen. Hij was er niet meer.’
Paul Goldstein: ‘Mejuffer Paulette hielp me mijn broer René terug te vinden. We troffen hem op de schoot van een mijnheer. Het bleek de vader te zijn van de kleine jongen die samen met René was gaan lopen, maar door een bom getroffen werd toen René achterbleef. Mijn broer was de laatste persoon die hem levend had gezien en de vader wilde weten wat er was gebeurd.’ René Goldstein vertelde de dokter hoe zijn zoon de bom op zich had gekregen: ‘Hij heeft mij een mot gegeven omdat ik zijn zoon niet heb tegengehouden. Dat versta ik.’ De twee Joodse onderduikertjes hadden het overleefd, maar bleven alleen achter tussen het puin van hun school. René Goldstein: ‘Na een paar uur kwamen alle ouders hun kinderen halen, behalve mijn broer en mij. Wij hadden niemand. Dan hebben we rondgetoerd.’ Paul Goldstein: ‘Uiteindelijk verscheen onze onderduikmoeder, die ons terugbracht naar Hove. Ik herinner me dat ik passeerde langs uitgebrande voertuigen, stervende paarden, brandende en smorende gebouwen.’ René Goldstein: ‘Ik denk dat wij alles bijeen maar veertien dagen op die school zijn geweest.’
Ook in het doelwit de Erla-fabriek stierven Hovese werknemers. Renald Van Mierlo: ‘Mijn vader kreeg een dag vrijaf, maar was in de namiddag toch weer gaan werken. Hij ging de fabriek binnen zonder zich evenwel te melden. Toen gebeurde het. De paniek sloeg toe. Mijn moeder verwittigde mijn grootvader en hij met de ets naar Mortsel. Na aandringen werd mijn grootvader onder begeleiding in de zwaar getroffen werkplaats toegelaten. Na uren zoeken vonden ze vader zijn huissleutel. Aan de hand daarvan is een verantwoordelijk persoon meegekomen naar het thuisadres. De sleutel paste perfect. De verkoolde lichamen waren niet meer te herkennen en werden afgevoerd naar het crematorium in Ukkel. Frans Van Mierlo staat bij de vermisten, ondanks de gevonden sleutel. Blijkbaar was die vondst onvoldoende om mijn vader als oorlogsslachtoffer te erkennen.’
De Hovese slachtoffers
Hieronder een overzicht van alle slachtoffers die in Hove woonden of er geboren zijn. Je kan op een foto klikken om naar de herinneringspagina met meer informatie te gaan. Daar kan je een reactie achterlaten om het slachtoffer te herdenken. Heb je meer info? Heb je een foto van een slachtoffer? Laat het ons zeker weten, via deze link.


















